FlexiVerb

Dutch Verb

ontbloten

to bare, render naked · to strip bare an object · (in ontbloten van) To rid of, deprive of

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ontbloten

Past Participle

ontblotend

Pres. Participle

ontblotend

Imperative

ontbloot / ontbloot

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikontbloot
jijontbloot
hij/zij/hetontbloot
wijontbloten
jullieontbloten
zijontbloten

Verleden tijd

Simple Past

ikontblootte
jijontblootte
hij/zij/hetontblootte
wijontblootten
jullieontblootten
zijontblootten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ontblotend
jijhebt ontblotend
hij/zij/hetheeft ontblotend
wijhebben ontblotend
julliehebben ontblotend
zijhebben ontblotend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ontblotend
jijhad ontblotend
hij/zij/hethad ontblotend
wijhadden ontblotend
julliehadden ontblotend
zijhadden ontblotend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ontbloten
jijzal ontbloten
hij/zij/hetzal ontbloten
wijzullen ontbloten
julliezullen ontbloten
zijzullen ontbloten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ontblotend hebben
jijzal ontblotend hebben
hij/zij/hetzal ontblotend hebben
wijzullen ontblotend hebben
julliezullen ontblotend hebben
zijzullen ontblotend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ontbloten
jijzou ontbloten
hij/zij/hetzou ontbloten
wijzouden ontbloten
julliezouden ontbloten
zijzouden ontbloten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ontblotend hebben
jijzou ontblotend hebben
hij/zij/hetzou ontblotend hebben
wijzouden ontblotend hebben
julliezouden ontblotend hebben
zijzouden ontblotend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ontbloten
jijbent aan het ontbloten
hij/zij/hetis aan het ontbloten
wijzijn aan het ontbloten
julliezijn aan het ontbloten
zijzijn aan het ontbloten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ontbloten
jijwas aan het ontbloten
hij/zij/hetwas aan het ontbloten
wijwaren aan het ontbloten
julliewaren aan het ontbloten
zijwaren aan het ontbloten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikontblot
jijontblot
hij/zij/hetontblot
wijontblot
jullieontblot
zijontblot

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0