FlexiVerb

Dutch Verb

onteren

to dishonor · to rape, to violate sexually

takes hebbenstrongregular

Infinitive

onteren

Past Participle

onterend

Pres. Participle

onterend

Imperative

onteer / onteert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikonteer
jijonteert
hij/zij/hetonteert
wijonteren
jullieonteren
zijonteren

Verleden tijd

Simple Past

ikonteerde
jijonteerde
hij/zij/hetonteerde
wijonteerden
jullieonteerden
zijonteerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb onterend
jijhebt onterend
hij/zij/hetheeft onterend
wijhebben onterend
julliehebben onterend
zijhebben onterend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad onterend
jijhad onterend
hij/zij/hethad onterend
wijhadden onterend
julliehadden onterend
zijhadden onterend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal onteren
jijzal onteren
hij/zij/hetzal onteren
wijzullen onteren
julliezullen onteren
zijzullen onteren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal onterend hebben
jijzal onterend hebben
hij/zij/hetzal onterend hebben
wijzullen onterend hebben
julliezullen onterend hebben
zijzullen onterend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou onteren
jijzou onteren
hij/zij/hetzou onteren
wijzouden onteren
julliezouden onteren
zijzouden onteren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou onterend hebben
jijzou onterend hebben
hij/zij/hetzou onterend hebben
wijzouden onterend hebben
julliezouden onterend hebben
zijzouden onterend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het onteren
jijbent aan het onteren
hij/zij/hetis aan het onteren
wijzijn aan het onteren
julliezijn aan het onteren
zijzijn aan het onteren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het onteren
jijwas aan het onteren
hij/zij/hetwas aan het onteren
wijwaren aan het onteren
julliewaren aan het onteren
zijwaren aan het onteren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikonter
jijonter
hij/zij/hetonter
wijonter
jullieonter
zijonter

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0