FlexiVerb

Dutch Verb

ontleden

to dismember, to analyze · to parse · to dissect · to break down

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ontleden

Past Participle

ontledend

Pres. Participle

ontledend

Imperative

ontleed / ontleedt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikontleed
jijontleedt
hij/zij/hetontleedt
wijontleden
jullieontleden
zijontleden

Verleden tijd

Simple Past

ikontleedde
jijontleedde
hij/zij/hetontleedde
wijontleedden
jullieontleedden
zijontleedden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ontledend
jijhebt ontledend
hij/zij/hetheeft ontledend
wijhebben ontledend
julliehebben ontledend
zijhebben ontledend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ontledend
jijhad ontledend
hij/zij/hethad ontledend
wijhadden ontledend
julliehadden ontledend
zijhadden ontledend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ontleden
jijzal ontleden
hij/zij/hetzal ontleden
wijzullen ontleden
julliezullen ontleden
zijzullen ontleden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ontledend hebben
jijzal ontledend hebben
hij/zij/hetzal ontledend hebben
wijzullen ontledend hebben
julliezullen ontledend hebben
zijzullen ontledend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ontleden
jijzou ontleden
hij/zij/hetzou ontleden
wijzouden ontleden
julliezouden ontleden
zijzouden ontleden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ontledend hebben
jijzou ontledend hebben
hij/zij/hetzou ontledend hebben
wijzouden ontledend hebben
julliezouden ontledend hebben
zijzouden ontledend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ontleden
jijbent aan het ontleden
hij/zij/hetis aan het ontleden
wijzijn aan het ontleden
julliezijn aan het ontleden
zijzijn aan het ontleden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ontleden
jijwas aan het ontleden
hij/zij/hetwas aan het ontleden
wijwaren aan het ontleden
julliewaren aan het ontleden
zijwaren aan het ontleden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikontled
jijontled
hij/zij/hetontled
wijontled
jullieontled
zijontled

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0