FlexiVerb

Dutch Verb

ontlenen

to borrow, to derive

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ontlenen

Past Participle

ontlenend

Pres. Participle

ontlenend

Imperative

ontleen / ontleent

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikontleen
jijontleent
hij/zij/hetontleent
wijontlenen
jullieontlenen
zijontlenen

Verleden tijd

Simple Past

ikontleende
jijontleende
hij/zij/hetontleende
wijontleenden
jullieontleenden
zijontleenden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ontlenend
jijhebt ontlenend
hij/zij/hetheeft ontlenend
wijhebben ontlenend
julliehebben ontlenend
zijhebben ontlenend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ontlenend
jijhad ontlenend
hij/zij/hethad ontlenend
wijhadden ontlenend
julliehadden ontlenend
zijhadden ontlenend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ontlenen
jijzal ontlenen
hij/zij/hetzal ontlenen
wijzullen ontlenen
julliezullen ontlenen
zijzullen ontlenen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ontlenend hebben
jijzal ontlenend hebben
hij/zij/hetzal ontlenend hebben
wijzullen ontlenend hebben
julliezullen ontlenend hebben
zijzullen ontlenend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ontlenen
jijzou ontlenen
hij/zij/hetzou ontlenen
wijzouden ontlenen
julliezouden ontlenen
zijzouden ontlenen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ontlenend hebben
jijzou ontlenend hebben
hij/zij/hetzou ontlenend hebben
wijzouden ontlenend hebben
julliezouden ontlenend hebben
zijzouden ontlenend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ontlenen
jijbent aan het ontlenen
hij/zij/hetis aan het ontlenen
wijzijn aan het ontlenen
julliezijn aan het ontlenen
zijzijn aan het ontlenen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ontlenen
jijwas aan het ontlenen
hij/zij/hetwas aan het ontlenen
wijwaren aan het ontlenen
julliewaren aan het ontlenen
zijwaren aan het ontlenen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikontlen
jijontlen
hij/zij/hetontlen
wijontlen
jullieontlen
zijontlen

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0