Dutch Verb
ontlokken
to elicit
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontlokken
Past Participle
ontlokkend
Pres. Participle
ontlokkend
Imperative
ontlok / ontlokt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontlok
jijontlokt
hij/zij/hetontlokt
wijontlokken
jullieontlokken
zijontlokken
Verleden tijd
Simple Past
ikontlokte
jijontlokte
hij/zij/hetontlokte
wijontlokten
jullieontlokten
zijontlokten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontlokkend
jijhebt ontlokkend
hij/zij/hetheeft ontlokkend
wijhebben ontlokkend
julliehebben ontlokkend
zijhebben ontlokkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontlokkend
jijhad ontlokkend
hij/zij/hethad ontlokkend
wijhadden ontlokkend
julliehadden ontlokkend
zijhadden ontlokkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontlokken
jijzal ontlokken
hij/zij/hetzal ontlokken
wijzullen ontlokken
julliezullen ontlokken
zijzullen ontlokken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontlokkend hebben
jijzal ontlokkend hebben
hij/zij/hetzal ontlokkend hebben
wijzullen ontlokkend hebben
julliezullen ontlokkend hebben
zijzullen ontlokkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontlokken
jijzou ontlokken
hij/zij/hetzou ontlokken
wijzouden ontlokken
julliezouden ontlokken
zijzouden ontlokken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontlokkend hebben
jijzou ontlokkend hebben
hij/zij/hetzou ontlokkend hebben
wijzouden ontlokkend hebben
julliezouden ontlokkend hebben
zijzouden ontlokkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontlokken
jijbent aan het ontlokken
hij/zij/hetis aan het ontlokken
wijzijn aan het ontlokken
julliezijn aan het ontlokken
zijzijn aan het ontlokken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontlokken
jijwas aan het ontlokken
hij/zij/hetwas aan het ontlokken
wijwaren aan het ontlokken
julliewaren aan het ontlokken
zijwaren aan het ontlokken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontlokk
jijontlokk
hij/zij/hetontlokk
wijontlokk
jullieontlokk
zijontlokk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0