Dutch Verb
ontmaskeren
to unmask, to expose, to reveal
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontmaskeren
Past Participle
ontmaskerend
Pres. Participle
ontmaskerend
Imperative
ontmasker / ontmaskert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontmasker
jijontmaskert
hij/zij/hetontmaskert
wijontmaskeren
jullieontmaskeren
zijontmaskeren
Verleden tijd
Simple Past
ikontmaskerde
jijontmaskerde
hij/zij/hetontmaskerde
wijontmaskerden
jullieontmaskerden
zijontmaskerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontmaskerend
jijhebt ontmaskerend
hij/zij/hetheeft ontmaskerend
wijhebben ontmaskerend
julliehebben ontmaskerend
zijhebben ontmaskerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontmaskerend
jijhad ontmaskerend
hij/zij/hethad ontmaskerend
wijhadden ontmaskerend
julliehadden ontmaskerend
zijhadden ontmaskerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontmaskeren
jijzal ontmaskeren
hij/zij/hetzal ontmaskeren
wijzullen ontmaskeren
julliezullen ontmaskeren
zijzullen ontmaskeren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontmaskerend hebben
jijzal ontmaskerend hebben
hij/zij/hetzal ontmaskerend hebben
wijzullen ontmaskerend hebben
julliezullen ontmaskerend hebben
zijzullen ontmaskerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontmaskeren
jijzou ontmaskeren
hij/zij/hetzou ontmaskeren
wijzouden ontmaskeren
julliezouden ontmaskeren
zijzouden ontmaskeren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontmaskerend hebben
jijzou ontmaskerend hebben
hij/zij/hetzou ontmaskerend hebben
wijzouden ontmaskerend hebben
julliezouden ontmaskerend hebben
zijzouden ontmaskerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontmaskeren
jijbent aan het ontmaskeren
hij/zij/hetis aan het ontmaskeren
wijzijn aan het ontmaskeren
julliezijn aan het ontmaskeren
zijzijn aan het ontmaskeren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontmaskeren
jijwas aan het ontmaskeren
hij/zij/hetwas aan het ontmaskeren
wijwaren aan het ontmaskeren
julliewaren aan het ontmaskeren
zijwaren aan het ontmaskeren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontmasker
jijontmasker
hij/zij/hetontmasker
wijontmasker
jullieontmasker
zijontmasker
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0