Dutch Verb
ontruimen
to clear, evacuate
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontruimen
Past Participle
ontruimend
Pres. Participle
ontruimend
Imperative
ontruim / ontruimt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontruim
jijontruimt
hij/zij/hetontruimt
wijontruimen
jullieontruimen
zijontruimen
Verleden tijd
Simple Past
ikontruimde
jijontruimde
hij/zij/hetontruimde
wijontruimden
jullieontruimden
zijontruimden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontruimend
jijhebt ontruimend
hij/zij/hetheeft ontruimend
wijhebben ontruimend
julliehebben ontruimend
zijhebben ontruimend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontruimend
jijhad ontruimend
hij/zij/hethad ontruimend
wijhadden ontruimend
julliehadden ontruimend
zijhadden ontruimend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontruimen
jijzal ontruimen
hij/zij/hetzal ontruimen
wijzullen ontruimen
julliezullen ontruimen
zijzullen ontruimen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontruimend hebben
jijzal ontruimend hebben
hij/zij/hetzal ontruimend hebben
wijzullen ontruimend hebben
julliezullen ontruimend hebben
zijzullen ontruimend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontruimen
jijzou ontruimen
hij/zij/hetzou ontruimen
wijzouden ontruimen
julliezouden ontruimen
zijzouden ontruimen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontruimend hebben
jijzou ontruimend hebben
hij/zij/hetzou ontruimend hebben
wijzouden ontruimend hebben
julliezouden ontruimend hebben
zijzouden ontruimend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontruimen
jijbent aan het ontruimen
hij/zij/hetis aan het ontruimen
wijzijn aan het ontruimen
julliezijn aan het ontruimen
zijzijn aan het ontruimen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontruimen
jijwas aan het ontruimen
hij/zij/hetwas aan het ontruimen
wijwaren aan het ontruimen
julliewaren aan het ontruimen
zijwaren aan het ontruimen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontruim
jijontruim
hij/zij/hetontruim
wijontruim
jullieontruim
zijontruim
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0