Dutch Verb
ontsporen
to derail
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontsporen
Past Participle
ontsporend
Pres. Participle
ontsporend
Imperative
ontspoor / ontspoort
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontspoor
jijontspoort
hij/zij/hetontspoort
wijontsporen
jullieontsporen
zijontsporen
Verleden tijd
Simple Past
ikontspoorde
jijontspoorde
hij/zij/hetontspoorde
wijontspoorden
jullieontspoorden
zijontspoorden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontsporend
jijhebt ontsporend
hij/zij/hetheeft ontsporend
wijhebben ontsporend
julliehebben ontsporend
zijhebben ontsporend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontsporend
jijhad ontsporend
hij/zij/hethad ontsporend
wijhadden ontsporend
julliehadden ontsporend
zijhadden ontsporend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontsporen
jijzal ontsporen
hij/zij/hetzal ontsporen
wijzullen ontsporen
julliezullen ontsporen
zijzullen ontsporen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontsporend hebben
jijzal ontsporend hebben
hij/zij/hetzal ontsporend hebben
wijzullen ontsporend hebben
julliezullen ontsporend hebben
zijzullen ontsporend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontsporen
jijzou ontsporen
hij/zij/hetzou ontsporen
wijzouden ontsporen
julliezouden ontsporen
zijzouden ontsporen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontsporend hebben
jijzou ontsporend hebben
hij/zij/hetzou ontsporend hebben
wijzouden ontsporend hebben
julliezouden ontsporend hebben
zijzouden ontsporend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontsporen
jijbent aan het ontsporen
hij/zij/hetis aan het ontsporen
wijzijn aan het ontsporen
julliezijn aan het ontsporen
zijzijn aan het ontsporen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontsporen
jijwas aan het ontsporen
hij/zij/hetwas aan het ontsporen
wijwaren aan het ontsporen
julliewaren aan het ontsporen
zijwaren aan het ontsporen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontspor
jijontspor
hij/zij/hetontspor
wijontspor
jullieontspor
zijontspor
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0