FlexiVerb

Dutch Verb

ontvoeren

to kidnap, to abduct (to seize and detain a person unlawfully)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ontvoeren

Past Participle

ontvoerend

Pres. Participle

ontvoerend

Imperative

ontvoer / ontvoert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikontvoer
jijontvoert
hij/zij/hetontvoert
wijontvoeren
jullieontvoeren
zijontvoeren

Verleden tijd

Simple Past

ikontvoerde
jijontvoerde
hij/zij/hetontvoerde
wijontvoerden
jullieontvoerden
zijontvoerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ontvoerend
jijhebt ontvoerend
hij/zij/hetheeft ontvoerend
wijhebben ontvoerend
julliehebben ontvoerend
zijhebben ontvoerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ontvoerend
jijhad ontvoerend
hij/zij/hethad ontvoerend
wijhadden ontvoerend
julliehadden ontvoerend
zijhadden ontvoerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ontvoeren
jijzal ontvoeren
hij/zij/hetzal ontvoeren
wijzullen ontvoeren
julliezullen ontvoeren
zijzullen ontvoeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ontvoerend hebben
jijzal ontvoerend hebben
hij/zij/hetzal ontvoerend hebben
wijzullen ontvoerend hebben
julliezullen ontvoerend hebben
zijzullen ontvoerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ontvoeren
jijzou ontvoeren
hij/zij/hetzou ontvoeren
wijzouden ontvoeren
julliezouden ontvoeren
zijzouden ontvoeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ontvoerend hebben
jijzou ontvoerend hebben
hij/zij/hetzou ontvoerend hebben
wijzouden ontvoerend hebben
julliezouden ontvoerend hebben
zijzouden ontvoerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ontvoeren
jijbent aan het ontvoeren
hij/zij/hetis aan het ontvoeren
wijzijn aan het ontvoeren
julliezijn aan het ontvoeren
zijzijn aan het ontvoeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ontvoeren
jijwas aan het ontvoeren
hij/zij/hetwas aan het ontvoeren
wijwaren aan het ontvoeren
julliewaren aan het ontvoeren
zijwaren aan het ontvoeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikontvoer
jijontvoer
hij/zij/hetontvoer
wijontvoer
jullieontvoer
zijontvoer

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0