Dutch Verb
ontvreemden
to steal
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontvreemden
Past Participle
ontvreemdend
Pres. Participle
ontvreemdend
Imperative
ontvreemd / ontvreemdt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontvreemd
jijontvreemdt
hij/zij/hetontvreemdt
wijontvreemden
jullieontvreemden
zijontvreemden
Verleden tijd
Simple Past
ikontvreemdde
jijontvreemdde
hij/zij/hetontvreemdde
wijontvreemdden
jullieontvreemdden
zijontvreemdden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontvreemdend
jijhebt ontvreemdend
hij/zij/hetheeft ontvreemdend
wijhebben ontvreemdend
julliehebben ontvreemdend
zijhebben ontvreemdend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontvreemdend
jijhad ontvreemdend
hij/zij/hethad ontvreemdend
wijhadden ontvreemdend
julliehadden ontvreemdend
zijhadden ontvreemdend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontvreemden
jijzal ontvreemden
hij/zij/hetzal ontvreemden
wijzullen ontvreemden
julliezullen ontvreemden
zijzullen ontvreemden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontvreemdend hebben
jijzal ontvreemdend hebben
hij/zij/hetzal ontvreemdend hebben
wijzullen ontvreemdend hebben
julliezullen ontvreemdend hebben
zijzullen ontvreemdend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontvreemden
jijzou ontvreemden
hij/zij/hetzou ontvreemden
wijzouden ontvreemden
julliezouden ontvreemden
zijzouden ontvreemden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontvreemdend hebben
jijzou ontvreemdend hebben
hij/zij/hetzou ontvreemdend hebben
wijzouden ontvreemdend hebben
julliezouden ontvreemdend hebben
zijzouden ontvreemdend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontvreemden
jijbent aan het ontvreemden
hij/zij/hetis aan het ontvreemden
wijzijn aan het ontvreemden
julliezijn aan het ontvreemden
zijzijn aan het ontvreemden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontvreemden
jijwas aan het ontvreemden
hij/zij/hetwas aan het ontvreemden
wijwaren aan het ontvreemden
julliewaren aan het ontvreemden
zijwaren aan het ontvreemden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontvreemd
jijontvreemd
hij/zij/hetontvreemd
wijontvreemd
jullieontvreemd
zijontvreemd
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0