Dutch Verb
ontzeggen
to deny, to keep from having
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ontzeggen
Past Participle
ontzeggend
Pres. Participle
ontzeggend
Imperative
ontzeg / ontzegt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikontzeg
jijontzegt
hij/zij/hetontzegt
wijontzeggen
jullieontzeggen
zijontzeggen
Verleden tijd
Simple Past
ikontzei
jijontzei
hij/zij/hetontzei
wijontzeiden
jullieontzeiden
zijontzeiden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ontzeggend
jijhebt ontzeggend
hij/zij/hetheeft ontzeggend
wijhebben ontzeggend
julliehebben ontzeggend
zijhebben ontzeggend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ontzeggend
jijhad ontzeggend
hij/zij/hethad ontzeggend
wijhadden ontzeggend
julliehadden ontzeggend
zijhadden ontzeggend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ontzeggen
jijzal ontzeggen
hij/zij/hetzal ontzeggen
wijzullen ontzeggen
julliezullen ontzeggen
zijzullen ontzeggen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ontzeggend hebben
jijzal ontzeggend hebben
hij/zij/hetzal ontzeggend hebben
wijzullen ontzeggend hebben
julliezullen ontzeggend hebben
zijzullen ontzeggend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ontzeggen
jijzou ontzeggen
hij/zij/hetzou ontzeggen
wijzouden ontzeggen
julliezouden ontzeggen
zijzouden ontzeggen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ontzeggend hebben
jijzou ontzeggend hebben
hij/zij/hetzou ontzeggend hebben
wijzouden ontzeggend hebben
julliezouden ontzeggend hebben
zijzouden ontzeggend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ontzeggen
jijbent aan het ontzeggen
hij/zij/hetis aan het ontzeggen
wijzijn aan het ontzeggen
julliezijn aan het ontzeggen
zijzijn aan het ontzeggen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ontzeggen
jijwas aan het ontzeggen
hij/zij/hetwas aan het ontzeggen
wijwaren aan het ontzeggen
julliewaren aan het ontzeggen
zijwaren aan het ontzeggen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikontzegg
jijontzegg
hij/zij/hetontzegg
wijontzegg
jullieontzegg
zijontzegg
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0