Dutch Verb
oorlogen
to wage war
takes hebbenstrongregular
Infinitive
oorlogen
Past Participle
oorlogend
Pres. Participle
oorlogend
Imperative
oorloog / oorloogt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikoorloog
jijoorloogt
hij/zij/hetoorloogt
wijoorlogen
jullieoorlogen
zijoorlogen
Verleden tijd
Simple Past
ikoorloogde
jijoorloogde
hij/zij/hetoorloogde
wijoorloogden
jullieoorloogden
zijoorloogden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb oorlogend
jijhebt oorlogend
hij/zij/hetheeft oorlogend
wijhebben oorlogend
julliehebben oorlogend
zijhebben oorlogend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad oorlogend
jijhad oorlogend
hij/zij/hethad oorlogend
wijhadden oorlogend
julliehadden oorlogend
zijhadden oorlogend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal oorlogen
jijzal oorlogen
hij/zij/hetzal oorlogen
wijzullen oorlogen
julliezullen oorlogen
zijzullen oorlogen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal oorlogend hebben
jijzal oorlogend hebben
hij/zij/hetzal oorlogend hebben
wijzullen oorlogend hebben
julliezullen oorlogend hebben
zijzullen oorlogend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou oorlogen
jijzou oorlogen
hij/zij/hetzou oorlogen
wijzouden oorlogen
julliezouden oorlogen
zijzouden oorlogen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou oorlogend hebben
jijzou oorlogend hebben
hij/zij/hetzou oorlogend hebben
wijzouden oorlogend hebben
julliezouden oorlogend hebben
zijzouden oorlogend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het oorlogen
jijbent aan het oorlogen
hij/zij/hetis aan het oorlogen
wijzijn aan het oorlogen
julliezijn aan het oorlogen
zijzijn aan het oorlogen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het oorlogen
jijwas aan het oorlogen
hij/zij/hetwas aan het oorlogen
wijwaren aan het oorlogen
julliewaren aan het oorlogen
zijwaren aan het oorlogen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoorlog
jijoorlog
hij/zij/hetoorlog
wijoorlog
jullieoorlog
zijoorlog
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0