Dutch Verb
opblazen
to blow up, to inflate, to upblow · to explode, to set off
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opblazen
Past Participle
opblazend
Pres. Participle
opblazend
Imperative
blaas op / blaast op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikblaas op
jijblaast op
hij/zij/hetblaast op
wijblazen op
jullieblazen op
zijblazen op
Verleden tijd
Simple Past
ikblies op
jijblies op
hij/zij/hetblies op
wijbliezen op
julliebliezen op
zijbliezen op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opblazend
jijhebt opblazend
hij/zij/hetheeft opblazend
wijhebben opblazend
julliehebben opblazend
zijhebben opblazend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opblazend
jijhad opblazend
hij/zij/hethad opblazend
wijhadden opblazend
julliehadden opblazend
zijhadden opblazend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opblazen
jijzal opblazen
hij/zij/hetzal opblazen
wijzullen opblazen
julliezullen opblazen
zijzullen opblazen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opblazend hebben
jijzal opblazend hebben
hij/zij/hetzal opblazend hebben
wijzullen opblazend hebben
julliezullen opblazend hebben
zijzullen opblazend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opblazen
jijzou opblazen
hij/zij/hetzou opblazen
wijzouden opblazen
julliezouden opblazen
zijzouden opblazen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opblazend hebben
jijzou opblazend hebben
hij/zij/hetzou opblazend hebben
wijzouden opblazend hebben
julliezouden opblazend hebben
zijzouden opblazend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opblazen
jijbent aan het opblazen
hij/zij/hetis aan het opblazen
wijzijn aan het opblazen
julliezijn aan het opblazen
zijzijn aan het opblazen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opblazen
jijwas aan het opblazen
hij/zij/hetwas aan het opblazen
wijwaren aan het opblazen
julliewaren aan het opblazen
zijwaren aan het opblazen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopblaz
jijopblaz
hij/zij/hetopblaz
wijopblaz
jullieopblaz
zijopblaz
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0