FlexiVerb

Dutch Verb

opbrengen

to yield, to produce · to afford the energy or capacity for

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opbrengen

Past Participle

opbrengend

Pres. Participle

opbrengend

Imperative

breng op / brengt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbreng op
jijbrengt op
hij/zij/hetbrengt op
wijbrengen op
julliebrengen op
zijbrengen op

Verleden tijd

Simple Past

ikbracht op
jijbracht op
hij/zij/hetbracht op
wijbrachten op
julliebrachten op
zijbrachten op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opbrengend
jijhebt opbrengend
hij/zij/hetheeft opbrengend
wijhebben opbrengend
julliehebben opbrengend
zijhebben opbrengend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opbrengend
jijhad opbrengend
hij/zij/hethad opbrengend
wijhadden opbrengend
julliehadden opbrengend
zijhadden opbrengend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opbrengen
jijzal opbrengen
hij/zij/hetzal opbrengen
wijzullen opbrengen
julliezullen opbrengen
zijzullen opbrengen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opbrengend hebben
jijzal opbrengend hebben
hij/zij/hetzal opbrengend hebben
wijzullen opbrengend hebben
julliezullen opbrengend hebben
zijzullen opbrengend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opbrengen
jijzou opbrengen
hij/zij/hetzou opbrengen
wijzouden opbrengen
julliezouden opbrengen
zijzouden opbrengen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opbrengend hebben
jijzou opbrengend hebben
hij/zij/hetzou opbrengend hebben
wijzouden opbrengend hebben
julliezouden opbrengend hebben
zijzouden opbrengend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opbrengen
jijbent aan het opbrengen
hij/zij/hetis aan het opbrengen
wijzijn aan het opbrengen
julliezijn aan het opbrengen
zijzijn aan het opbrengen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opbrengen
jijwas aan het opbrengen
hij/zij/hetwas aan het opbrengen
wijwaren aan het opbrengen
julliewaren aan het opbrengen
zijwaren aan het opbrengen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopbreng
jijopbreng
hij/zij/hetopbreng
wijopbreng
jullieopbreng
zijopbreng

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0