FlexiVerb

Dutch Verb

opdelen

to divvy up, subdivide

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opdelen

Past Participle

opdelend

Pres. Participle

opdelend

Imperative

deel op / deelt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdeel op
jijdeelt op
hij/zij/hetdeelt op
wijdelen op
julliedelen op
zijdelen op

Verleden tijd

Simple Past

ikdeelde op
jijdeelde op
hij/zij/hetdeelde op
wijdeelden op
julliedeelden op
zijdeelden op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opdelend
jijhebt opdelend
hij/zij/hetheeft opdelend
wijhebben opdelend
julliehebben opdelend
zijhebben opdelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opdelend
jijhad opdelend
hij/zij/hethad opdelend
wijhadden opdelend
julliehadden opdelend
zijhadden opdelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opdelen
jijzal opdelen
hij/zij/hetzal opdelen
wijzullen opdelen
julliezullen opdelen
zijzullen opdelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opdelend hebben
jijzal opdelend hebben
hij/zij/hetzal opdelend hebben
wijzullen opdelend hebben
julliezullen opdelend hebben
zijzullen opdelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opdelen
jijzou opdelen
hij/zij/hetzou opdelen
wijzouden opdelen
julliezouden opdelen
zijzouden opdelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opdelend hebben
jijzou opdelend hebben
hij/zij/hetzou opdelend hebben
wijzouden opdelend hebben
julliezouden opdelend hebben
zijzouden opdelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opdelen
jijbent aan het opdelen
hij/zij/hetis aan het opdelen
wijzijn aan het opdelen
julliezijn aan het opdelen
zijzijn aan het opdelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opdelen
jijwas aan het opdelen
hij/zij/hetwas aan het opdelen
wijwaren aan het opdelen
julliewaren aan het opdelen
zijwaren aan het opdelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopdel
jijopdel
hij/zij/hetopdel
wijopdel
jullieopdel
zijopdel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0