FlexiVerb

Dutch Verb

opkomen

to come up, to rise · to stand up for · to come on (i.e. a stage)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opkomen

Past Participle

opkomend

Pres. Participle

opkomend

Imperative

kom op / komt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikkom op
jijkomt op
hij/zij/hetkomt op
wijkomen op
julliekomen op
zijkomen op

Verleden tijd

Simple Past

ikkwam op
jijkwam op
hij/zij/hetkwam op
wijkwamen op
julliekwamen op
zijkwamen op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opkomend
jijhebt opkomend
hij/zij/hetheeft opkomend
wijhebben opkomend
julliehebben opkomend
zijhebben opkomend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opkomend
jijhad opkomend
hij/zij/hethad opkomend
wijhadden opkomend
julliehadden opkomend
zijhadden opkomend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opkomen
jijzal opkomen
hij/zij/hetzal opkomen
wijzullen opkomen
julliezullen opkomen
zijzullen opkomen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opkomend hebben
jijzal opkomend hebben
hij/zij/hetzal opkomend hebben
wijzullen opkomend hebben
julliezullen opkomend hebben
zijzullen opkomend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opkomen
jijzou opkomen
hij/zij/hetzou opkomen
wijzouden opkomen
julliezouden opkomen
zijzouden opkomen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opkomend hebben
jijzou opkomend hebben
hij/zij/hetzou opkomend hebben
wijzouden opkomend hebben
julliezouden opkomend hebben
zijzouden opkomend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opkomen
jijbent aan het opkomen
hij/zij/hetis aan het opkomen
wijzijn aan het opkomen
julliezijn aan het opkomen
zijzijn aan het opkomen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opkomen
jijwas aan het opkomen
hij/zij/hetwas aan het opkomen
wijwaren aan het opkomen
julliewaren aan het opkomen
zijwaren aan het opkomen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopkom
jijopkom
hij/zij/hetopkom
wijopkom
jullieopkom
zijopkom

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0