Dutch Verb
opleven
to revive
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opleven
Past Participle
oplevend
Pres. Participle
oplevend
Imperative
leef op / leeft op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikleef op
jijleeft op
hij/zij/hetleeft op
wijleven op
jullieleven op
zijleven op
Verleden tijd
Simple Past
ikleefde op
jijleefde op
hij/zij/hetleefde op
wijleefden op
jullieleefden op
zijleefden op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb oplevend
jijhebt oplevend
hij/zij/hetheeft oplevend
wijhebben oplevend
julliehebben oplevend
zijhebben oplevend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad oplevend
jijhad oplevend
hij/zij/hethad oplevend
wijhadden oplevend
julliehadden oplevend
zijhadden oplevend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opleven
jijzal opleven
hij/zij/hetzal opleven
wijzullen opleven
julliezullen opleven
zijzullen opleven
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal oplevend hebben
jijzal oplevend hebben
hij/zij/hetzal oplevend hebben
wijzullen oplevend hebben
julliezullen oplevend hebben
zijzullen oplevend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opleven
jijzou opleven
hij/zij/hetzou opleven
wijzouden opleven
julliezouden opleven
zijzouden opleven
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou oplevend hebben
jijzou oplevend hebben
hij/zij/hetzou oplevend hebben
wijzouden oplevend hebben
julliezouden oplevend hebben
zijzouden oplevend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opleven
jijbent aan het opleven
hij/zij/hetis aan het opleven
wijzijn aan het opleven
julliezijn aan het opleven
zijzijn aan het opleven
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opleven
jijwas aan het opleven
hij/zij/hetwas aan het opleven
wijwaren aan het opleven
julliewaren aan het opleven
zijwaren aan het opleven
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoplev
jijoplev
hij/zij/hetoplev
wijoplev
jullieoplev
zijoplev
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0