FlexiVerb

Dutch Verb

opmaken

to use up (e.g. money) or eat up (all that's left to eat) · to finish, conclude · to make (a bed) · to put make-up on, to apply cosmetics

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opmaken

Past Participle

opmakend

Pres. Participle

opmakend

Imperative

maak op / maakt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikmaak op
jijmaakt op
hij/zij/hetmaakt op
wijmaken op
julliemaken op
zijmaken op

Verleden tijd

Simple Past

ikmaakte op
jijmaakte op
hij/zij/hetmaakte op
wijmaakten op
julliemaakten op
zijmaakten op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opmakend
jijhebt opmakend
hij/zij/hetheeft opmakend
wijhebben opmakend
julliehebben opmakend
zijhebben opmakend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opmakend
jijhad opmakend
hij/zij/hethad opmakend
wijhadden opmakend
julliehadden opmakend
zijhadden opmakend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opmaken
jijzal opmaken
hij/zij/hetzal opmaken
wijzullen opmaken
julliezullen opmaken
zijzullen opmaken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opmakend hebben
jijzal opmakend hebben
hij/zij/hetzal opmakend hebben
wijzullen opmakend hebben
julliezullen opmakend hebben
zijzullen opmakend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opmaken
jijzou opmaken
hij/zij/hetzou opmaken
wijzouden opmaken
julliezouden opmaken
zijzouden opmaken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opmakend hebben
jijzou opmakend hebben
hij/zij/hetzou opmakend hebben
wijzouden opmakend hebben
julliezouden opmakend hebben
zijzouden opmakend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opmaken
jijbent aan het opmaken
hij/zij/hetis aan het opmaken
wijzijn aan het opmaken
julliezijn aan het opmaken
zijzijn aan het opmaken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opmaken
jijwas aan het opmaken
hij/zij/hetwas aan het opmaken
wijwaren aan het opmaken
julliewaren aan het opmaken
zijwaren aan het opmaken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopmak
jijopmak
hij/zij/hetopmak
wijopmak
jullieopmak
zijopmak

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0