Dutch Verb
opmerken
to remark, notice
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opmerken
Past Participle
opmerkend
Pres. Participle
opmerkend
Imperative
merk op / merkt op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikmerk op
jijmerkt op
hij/zij/hetmerkt op
wijmerken op
julliemerken op
zijmerken op
Verleden tijd
Simple Past
ikmerkte op
jijmerkte op
hij/zij/hetmerkte op
wijmerkten op
julliemerkten op
zijmerkten op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opmerkend
jijhebt opmerkend
hij/zij/hetheeft opmerkend
wijhebben opmerkend
julliehebben opmerkend
zijhebben opmerkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opmerkend
jijhad opmerkend
hij/zij/hethad opmerkend
wijhadden opmerkend
julliehadden opmerkend
zijhadden opmerkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opmerken
jijzal opmerken
hij/zij/hetzal opmerken
wijzullen opmerken
julliezullen opmerken
zijzullen opmerken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opmerkend hebben
jijzal opmerkend hebben
hij/zij/hetzal opmerkend hebben
wijzullen opmerkend hebben
julliezullen opmerkend hebben
zijzullen opmerkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opmerken
jijzou opmerken
hij/zij/hetzou opmerken
wijzouden opmerken
julliezouden opmerken
zijzouden opmerken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opmerkend hebben
jijzou opmerkend hebben
hij/zij/hetzou opmerkend hebben
wijzouden opmerkend hebben
julliezouden opmerkend hebben
zijzouden opmerkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opmerken
jijbent aan het opmerken
hij/zij/hetis aan het opmerken
wijzijn aan het opmerken
julliezijn aan het opmerken
zijzijn aan het opmerken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opmerken
jijwas aan het opmerken
hij/zij/hetwas aan het opmerken
wijwaren aan het opmerken
julliewaren aan het opmerken
zijwaren aan het opmerken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopmerk
jijopmerk
hij/zij/hetopmerk
wijopmerk
jullieopmerk
zijopmerk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0