FlexiVerb

Dutch Verb

opnemen

to pick up, to raise · to pick up or answer (the phone or horn) · to take in, to admit, to reserve a spot for · to record

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opnemen

Past Participle

opnemend

Pres. Participle

opnemend

Imperative

neem op / neemt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikneem op
jijneemt op
hij/zij/hetneemt op
wijnemen op
jullienemen op
zijnemen op

Verleden tijd

Simple Past

iknam op
jijnam op
hij/zij/hetnam op
wijnamen op
jullienamen op
zijnamen op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opnemend
jijhebt opnemend
hij/zij/hetheeft opnemend
wijhebben opnemend
julliehebben opnemend
zijhebben opnemend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opnemend
jijhad opnemend
hij/zij/hethad opnemend
wijhadden opnemend
julliehadden opnemend
zijhadden opnemend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opnemen
jijzal opnemen
hij/zij/hetzal opnemen
wijzullen opnemen
julliezullen opnemen
zijzullen opnemen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opnemend hebben
jijzal opnemend hebben
hij/zij/hetzal opnemend hebben
wijzullen opnemend hebben
julliezullen opnemend hebben
zijzullen opnemend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opnemen
jijzou opnemen
hij/zij/hetzou opnemen
wijzouden opnemen
julliezouden opnemen
zijzouden opnemen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opnemend hebben
jijzou opnemend hebben
hij/zij/hetzou opnemend hebben
wijzouden opnemend hebben
julliezouden opnemend hebben
zijzouden opnemend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opnemen
jijbent aan het opnemen
hij/zij/hetis aan het opnemen
wijzijn aan het opnemen
julliezijn aan het opnemen
zijzijn aan het opnemen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opnemen
jijwas aan het opnemen
hij/zij/hetwas aan het opnemen
wijwaren aan het opnemen
julliewaren aan het opnemen
zijwaren aan het opnemen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopnem
jijopnem
hij/zij/hetopnem
wijopnem
jullieopnem
zijopnem

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0