FlexiVerb

Dutch Verb

opnoemen

recite, name one by one, as from a list

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opnoemen

Past Participle

opnoemend

Pres. Participle

opnoemend

Imperative

noem op / noemt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iknoem op
jijnoemt op
hij/zij/hetnoemt op
wijnoemen op
jullienoemen op
zijnoemen op

Verleden tijd

Simple Past

iknoemde op
jijnoemde op
hij/zij/hetnoemde op
wijnoemden op
jullienoemden op
zijnoemden op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opnoemend
jijhebt opnoemend
hij/zij/hetheeft opnoemend
wijhebben opnoemend
julliehebben opnoemend
zijhebben opnoemend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opnoemend
jijhad opnoemend
hij/zij/hethad opnoemend
wijhadden opnoemend
julliehadden opnoemend
zijhadden opnoemend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opnoemen
jijzal opnoemen
hij/zij/hetzal opnoemen
wijzullen opnoemen
julliezullen opnoemen
zijzullen opnoemen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opnoemend hebben
jijzal opnoemend hebben
hij/zij/hetzal opnoemend hebben
wijzullen opnoemend hebben
julliezullen opnoemend hebben
zijzullen opnoemend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opnoemen
jijzou opnoemen
hij/zij/hetzou opnoemen
wijzouden opnoemen
julliezouden opnoemen
zijzouden opnoemen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opnoemend hebben
jijzou opnoemend hebben
hij/zij/hetzou opnoemend hebben
wijzouden opnoemend hebben
julliezouden opnoemend hebben
zijzouden opnoemend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opnoemen
jijbent aan het opnoemen
hij/zij/hetis aan het opnoemen
wijzijn aan het opnoemen
julliezijn aan het opnoemen
zijzijn aan het opnoemen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opnoemen
jijwas aan het opnoemen
hij/zij/hetwas aan het opnoemen
wijwaren aan het opnoemen
julliewaren aan het opnoemen
zijwaren aan het opnoemen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopnoem
jijopnoem
hij/zij/hetopnoem
wijopnoem
jullieopnoem
zijopnoem

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0