FlexiVerb

Dutch Verb

oppakken

to pick up · to take up, to take into consideration, to do something with · to arrest (take into police custody)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

oppakken

Past Participle

oppakkend

Pres. Participle

oppakkend

Imperative

pak op / pakt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpak op
jijpakt op
hij/zij/hetpakt op
wijpakken op
julliepakken op
zijpakken op

Verleden tijd

Simple Past

ikpakte op
jijpakte op
hij/zij/hetpakte op
wijpakten op
julliepakten op
zijpakten op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb oppakkend
jijhebt oppakkend
hij/zij/hetheeft oppakkend
wijhebben oppakkend
julliehebben oppakkend
zijhebben oppakkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad oppakkend
jijhad oppakkend
hij/zij/hethad oppakkend
wijhadden oppakkend
julliehadden oppakkend
zijhadden oppakkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal oppakken
jijzal oppakken
hij/zij/hetzal oppakken
wijzullen oppakken
julliezullen oppakken
zijzullen oppakken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal oppakkend hebben
jijzal oppakkend hebben
hij/zij/hetzal oppakkend hebben
wijzullen oppakkend hebben
julliezullen oppakkend hebben
zijzullen oppakkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou oppakken
jijzou oppakken
hij/zij/hetzou oppakken
wijzouden oppakken
julliezouden oppakken
zijzouden oppakken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou oppakkend hebben
jijzou oppakkend hebben
hij/zij/hetzou oppakkend hebben
wijzouden oppakkend hebben
julliezouden oppakkend hebben
zijzouden oppakkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het oppakken
jijbent aan het oppakken
hij/zij/hetis aan het oppakken
wijzijn aan het oppakken
julliezijn aan het oppakken
zijzijn aan het oppakken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het oppakken
jijwas aan het oppakken
hij/zij/hetwas aan het oppakken
wijwaren aan het oppakken
julliewaren aan het oppakken
zijwaren aan het oppakken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoppakk
jijoppakk
hij/zij/hetoppakk
wijoppakk
jullieoppakk
zijoppakk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0