FlexiVerb

Dutch Verb

oppoetsen

to polish

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

oppoetsen

Past Participle

oppoetsend

Pres. Participle

oppoetsend

Imperative

poets op / poetst op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpoets op
jijpoetst op
hij/zij/hetpoetst op
wijpoetsen op
julliepoetsen op
zijpoetsen op

Verleden tijd

Simple Past

ikpoetste op
jijpoetste op
hij/zij/hetpoetste op
wijpoetsten op
julliepoetsten op
zijpoetsten op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb oppoetsend
jijhebt oppoetsend
hij/zij/hetheeft oppoetsend
wijhebben oppoetsend
julliehebben oppoetsend
zijhebben oppoetsend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad oppoetsend
jijhad oppoetsend
hij/zij/hethad oppoetsend
wijhadden oppoetsend
julliehadden oppoetsend
zijhadden oppoetsend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal oppoetsen
jijzal oppoetsen
hij/zij/hetzal oppoetsen
wijzullen oppoetsen
julliezullen oppoetsen
zijzullen oppoetsen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal oppoetsend hebben
jijzal oppoetsend hebben
hij/zij/hetzal oppoetsend hebben
wijzullen oppoetsend hebben
julliezullen oppoetsend hebben
zijzullen oppoetsend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou oppoetsen
jijzou oppoetsen
hij/zij/hetzou oppoetsen
wijzouden oppoetsen
julliezouden oppoetsen
zijzouden oppoetsen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou oppoetsend hebben
jijzou oppoetsend hebben
hij/zij/hetzou oppoetsend hebben
wijzouden oppoetsend hebben
julliezouden oppoetsend hebben
zijzouden oppoetsend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het oppoetsen
jijbent aan het oppoetsen
hij/zij/hetis aan het oppoetsen
wijzijn aan het oppoetsen
julliezijn aan het oppoetsen
zijzijn aan het oppoetsen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het oppoetsen
jijwas aan het oppoetsen
hij/zij/hetwas aan het oppoetsen
wijwaren aan het oppoetsen
julliewaren aan het oppoetsen
zijwaren aan het oppoetsen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoppoets
jijoppoets
hij/zij/hetoppoets
wijoppoets
jullieoppoets
zijoppoets

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0