Dutch Verb
opraken
to run out
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opraken
Past Participle
oprakend
Pres. Participle
oprakend
Imperative
raak op / raakt op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikraak op
jijraakt op
hij/zij/hetraakt op
wijraken op
jullieraken op
zijraken op
Verleden tijd
Simple Past
ikraakte op
jijraakte op
hij/zij/hetraakte op
wijraakten op
jullieraakten op
zijraakten op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb oprakend
jijhebt oprakend
hij/zij/hetheeft oprakend
wijhebben oprakend
julliehebben oprakend
zijhebben oprakend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad oprakend
jijhad oprakend
hij/zij/hethad oprakend
wijhadden oprakend
julliehadden oprakend
zijhadden oprakend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opraken
jijzal opraken
hij/zij/hetzal opraken
wijzullen opraken
julliezullen opraken
zijzullen opraken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal oprakend hebben
jijzal oprakend hebben
hij/zij/hetzal oprakend hebben
wijzullen oprakend hebben
julliezullen oprakend hebben
zijzullen oprakend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opraken
jijzou opraken
hij/zij/hetzou opraken
wijzouden opraken
julliezouden opraken
zijzouden opraken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou oprakend hebben
jijzou oprakend hebben
hij/zij/hetzou oprakend hebben
wijzouden oprakend hebben
julliezouden oprakend hebben
zijzouden oprakend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opraken
jijbent aan het opraken
hij/zij/hetis aan het opraken
wijzijn aan het opraken
julliezijn aan het opraken
zijzijn aan het opraken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opraken
jijwas aan het opraken
hij/zij/hetwas aan het opraken
wijwaren aan het opraken
julliewaren aan het opraken
zijwaren aan het opraken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoprak
jijoprak
hij/zij/hetoprak
wijoprak
jullieoprak
zijoprak
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0