FlexiVerb

Dutch Verb

opspannen

to tense (make or become tense)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opspannen

Past Participle

opspannend

Pres. Participle

opspannend

Imperative

span op / spant op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikspan op
jijspant op
hij/zij/hetspant op
wijspannen op
julliespannen op
zijspannen op

Verleden tijd

Simple Past

ikspande op
jijspande op
hij/zij/hetspande op
wijspanden op
julliespanden op
zijspanden op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opspannend
jijhebt opspannend
hij/zij/hetheeft opspannend
wijhebben opspannend
julliehebben opspannend
zijhebben opspannend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opspannend
jijhad opspannend
hij/zij/hethad opspannend
wijhadden opspannend
julliehadden opspannend
zijhadden opspannend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opspannen
jijzal opspannen
hij/zij/hetzal opspannen
wijzullen opspannen
julliezullen opspannen
zijzullen opspannen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opspannend hebben
jijzal opspannend hebben
hij/zij/hetzal opspannend hebben
wijzullen opspannend hebben
julliezullen opspannend hebben
zijzullen opspannend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opspannen
jijzou opspannen
hij/zij/hetzou opspannen
wijzouden opspannen
julliezouden opspannen
zijzouden opspannen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opspannend hebben
jijzou opspannend hebben
hij/zij/hetzou opspannend hebben
wijzouden opspannend hebben
julliezouden opspannend hebben
zijzouden opspannend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opspannen
jijbent aan het opspannen
hij/zij/hetis aan het opspannen
wijzijn aan het opspannen
julliezijn aan het opspannen
zijzijn aan het opspannen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opspannen
jijwas aan het opspannen
hij/zij/hetwas aan het opspannen
wijwaren aan het opspannen
julliewaren aan het opspannen
zijwaren aan het opspannen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopspann
jijopspann
hij/zij/hetopspann
wijopspann
jullieopspann
zijopspann

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0