FlexiVerb

Dutch Verb

opstaan

to stand up · to get up, to rise · to be on, to be cooking · to be on, to be playing (music)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opstaan

Past Participle

opstaand

Pres. Participle

opstaand

Imperative

sta op / staat op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksta op
jijstaat op
hij/zij/hetstaat op
wijstaan op
julliestaan op
zijstaan op

Verleden tijd

Simple Past

ikstond op
jijstond op
hij/zij/hetstond op
wijstonden op
julliestonden op
zijstonden op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opstaand
jijhebt opstaand
hij/zij/hetheeft opstaand
wijhebben opstaand
julliehebben opstaand
zijhebben opstaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opstaand
jijhad opstaand
hij/zij/hethad opstaand
wijhadden opstaand
julliehadden opstaand
zijhadden opstaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opstaan
jijzal opstaan
hij/zij/hetzal opstaan
wijzullen opstaan
julliezullen opstaan
zijzullen opstaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opstaand hebben
jijzal opstaand hebben
hij/zij/hetzal opstaand hebben
wijzullen opstaand hebben
julliezullen opstaand hebben
zijzullen opstaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opstaan
jijzou opstaan
hij/zij/hetzou opstaan
wijzouden opstaan
julliezouden opstaan
zijzouden opstaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opstaand hebben
jijzou opstaand hebben
hij/zij/hetzou opstaand hebben
wijzouden opstaand hebben
julliezouden opstaand hebben
zijzouden opstaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opstaan
jijbent aan het opstaan
hij/zij/hetis aan het opstaan
wijzijn aan het opstaan
julliezijn aan het opstaan
zijzijn aan het opstaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opstaan
jijwas aan het opstaan
hij/zij/hetwas aan het opstaan
wijwaren aan het opstaan
julliewaren aan het opstaan
zijwaren aan het opstaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopstaa
jijopstaa
hij/zij/hetopstaa
wijopstaa
jullieopstaa
zijopstaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0