Dutch Verb
optellen
to add
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
optellen
Past Participle
optellend
Pres. Participle
optellend
Imperative
tel op / telt op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iktel op
jijtelt op
hij/zij/hettelt op
wijtellen op
jullietellen op
zijtellen op
Verleden tijd
Simple Past
iktelde op
jijtelde op
hij/zij/hettelde op
wijtelden op
jullietelden op
zijtelden op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb optellend
jijhebt optellend
hij/zij/hetheeft optellend
wijhebben optellend
julliehebben optellend
zijhebben optellend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad optellend
jijhad optellend
hij/zij/hethad optellend
wijhadden optellend
julliehadden optellend
zijhadden optellend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal optellen
jijzal optellen
hij/zij/hetzal optellen
wijzullen optellen
julliezullen optellen
zijzullen optellen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal optellend hebben
jijzal optellend hebben
hij/zij/hetzal optellend hebben
wijzullen optellend hebben
julliezullen optellend hebben
zijzullen optellend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou optellen
jijzou optellen
hij/zij/hetzou optellen
wijzouden optellen
julliezouden optellen
zijzouden optellen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou optellend hebben
jijzou optellend hebben
hij/zij/hetzou optellend hebben
wijzouden optellend hebben
julliezouden optellend hebben
zijzouden optellend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het optellen
jijbent aan het optellen
hij/zij/hetis aan het optellen
wijzijn aan het optellen
julliezijn aan het optellen
zijzijn aan het optellen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het optellen
jijwas aan het optellen
hij/zij/hetwas aan het optellen
wijwaren aan het optellen
julliewaren aan het optellen
zijwaren aan het optellen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoptell
jijoptell
hij/zij/hetoptell
wijoptell
jullieoptell
zijoptell
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0