Dutch Verb
opvallen
to stand out · to notice
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opvallen
Past Participle
opvallend
Pres. Participle
opvallend
Imperative
val op / valt op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikval op
jijvalt op
hij/zij/hetvalt op
wijvallen op
jullievallen op
zijvallen op
Verleden tijd
Simple Past
ikviel op
jijviel op
hij/zij/hetviel op
wijvielen op
jullievielen op
zijvielen op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opvallend
jijhebt opvallend
hij/zij/hetheeft opvallend
wijhebben opvallend
julliehebben opvallend
zijhebben opvallend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opvallend
jijhad opvallend
hij/zij/hethad opvallend
wijhadden opvallend
julliehadden opvallend
zijhadden opvallend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opvallen
jijzal opvallen
hij/zij/hetzal opvallen
wijzullen opvallen
julliezullen opvallen
zijzullen opvallen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opvallend hebben
jijzal opvallend hebben
hij/zij/hetzal opvallend hebben
wijzullen opvallend hebben
julliezullen opvallend hebben
zijzullen opvallend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opvallen
jijzou opvallen
hij/zij/hetzou opvallen
wijzouden opvallen
julliezouden opvallen
zijzouden opvallen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opvallend hebben
jijzou opvallend hebben
hij/zij/hetzou opvallend hebben
wijzouden opvallend hebben
julliezouden opvallend hebben
zijzouden opvallend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opvallen
jijbent aan het opvallen
hij/zij/hetis aan het opvallen
wijzijn aan het opvallen
julliezijn aan het opvallen
zijzijn aan het opvallen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opvallen
jijwas aan het opvallen
hij/zij/hetwas aan het opvallen
wijwaren aan het opvallen
julliewaren aan het opvallen
zijwaren aan het opvallen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopvall
jijopvall
hij/zij/hetopvall
wijopvall
jullieopvall
zijopvall
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0