FlexiVerb

Dutch Verb

opvangen

to catch

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opvangen

Past Participle

opvangend

Pres. Participle

opvangend

Imperative

vang op / vangt op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvang op
jijvangt op
hij/zij/hetvangt op
wijvangen op
jullievangen op
zijvangen op

Verleden tijd

Simple Past

ikving op
jijving op
hij/zij/hetving op
wijvingen op
jullievingen op
zijvingen op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opvangend
jijhebt opvangend
hij/zij/hetheeft opvangend
wijhebben opvangend
julliehebben opvangend
zijhebben opvangend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opvangend
jijhad opvangend
hij/zij/hethad opvangend
wijhadden opvangend
julliehadden opvangend
zijhadden opvangend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opvangen
jijzal opvangen
hij/zij/hetzal opvangen
wijzullen opvangen
julliezullen opvangen
zijzullen opvangen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opvangend hebben
jijzal opvangend hebben
hij/zij/hetzal opvangend hebben
wijzullen opvangend hebben
julliezullen opvangend hebben
zijzullen opvangend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opvangen
jijzou opvangen
hij/zij/hetzou opvangen
wijzouden opvangen
julliezouden opvangen
zijzouden opvangen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opvangend hebben
jijzou opvangend hebben
hij/zij/hetzou opvangend hebben
wijzouden opvangend hebben
julliezouden opvangend hebben
zijzouden opvangend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opvangen
jijbent aan het opvangen
hij/zij/hetis aan het opvangen
wijzijn aan het opvangen
julliezijn aan het opvangen
zijzijn aan het opvangen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opvangen
jijwas aan het opvangen
hij/zij/hetwas aan het opvangen
wijwaren aan het opvangen
julliewaren aan het opvangen
zijwaren aan het opvangen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopvang
jijopvang
hij/zij/hetopvang
wijopvang
jullieopvang
zijopvang

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0