Dutch Verb
opvatten
to interpret · to take (with hands)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opvatten
Past Participle
opvattend
Pres. Participle
opvattend
Imperative
vat op / vat op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikvat op
jijvat op
hij/zij/hetvat op
wijvatten op
jullievatten op
zijvatten op
Verleden tijd
Simple Past
ikvatte op
jijvatte op
hij/zij/hetvatte op
wijvatten op
jullievatten op
zijvatten op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opvattend
jijhebt opvattend
hij/zij/hetheeft opvattend
wijhebben opvattend
julliehebben opvattend
zijhebben opvattend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opvattend
jijhad opvattend
hij/zij/hethad opvattend
wijhadden opvattend
julliehadden opvattend
zijhadden opvattend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opvatten
jijzal opvatten
hij/zij/hetzal opvatten
wijzullen opvatten
julliezullen opvatten
zijzullen opvatten
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opvattend hebben
jijzal opvattend hebben
hij/zij/hetzal opvattend hebben
wijzullen opvattend hebben
julliezullen opvattend hebben
zijzullen opvattend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opvatten
jijzou opvatten
hij/zij/hetzou opvatten
wijzouden opvatten
julliezouden opvatten
zijzouden opvatten
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opvattend hebben
jijzou opvattend hebben
hij/zij/hetzou opvattend hebben
wijzouden opvattend hebben
julliezouden opvattend hebben
zijzouden opvattend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opvatten
jijbent aan het opvatten
hij/zij/hetis aan het opvatten
wijzijn aan het opvatten
julliezijn aan het opvatten
zijzijn aan het opvatten
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opvatten
jijwas aan het opvatten
hij/zij/hetwas aan het opvatten
wijwaren aan het opvatten
julliewaren aan het opvatten
zijwaren aan het opvatten
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopvatt
jijopvatt
hij/zij/hetopvatt
wijopvatt
jullieopvatt
zijopvatt
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0