Dutch Verb
opvissen
to fish up
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opvissen
Past Participle
opvissend
Pres. Participle
opvissend
Imperative
vis op / vist op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikvis op
jijvist op
hij/zij/hetvist op
wijvissen op
jullievissen op
zijvissen op
Verleden tijd
Simple Past
ikviste op
jijviste op
hij/zij/hetviste op
wijvisten op
jullievisten op
zijvisten op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opvissend
jijhebt opvissend
hij/zij/hetheeft opvissend
wijhebben opvissend
julliehebben opvissend
zijhebben opvissend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opvissend
jijhad opvissend
hij/zij/hethad opvissend
wijhadden opvissend
julliehadden opvissend
zijhadden opvissend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opvissen
jijzal opvissen
hij/zij/hetzal opvissen
wijzullen opvissen
julliezullen opvissen
zijzullen opvissen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opvissend hebben
jijzal opvissend hebben
hij/zij/hetzal opvissend hebben
wijzullen opvissend hebben
julliezullen opvissend hebben
zijzullen opvissend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opvissen
jijzou opvissen
hij/zij/hetzou opvissen
wijzouden opvissen
julliezouden opvissen
zijzouden opvissen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opvissend hebben
jijzou opvissend hebben
hij/zij/hetzou opvissend hebben
wijzouden opvissend hebben
julliezouden opvissend hebben
zijzouden opvissend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opvissen
jijbent aan het opvissen
hij/zij/hetis aan het opvissen
wijzijn aan het opvissen
julliezijn aan het opvissen
zijzijn aan het opvissen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opvissen
jijwas aan het opvissen
hij/zij/hetwas aan het opvissen
wijwaren aan het opvissen
julliewaren aan het opvissen
zijwaren aan het opvissen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopviss
jijopviss
hij/zij/hetopviss
wijopviss
jullieopviss
zijopviss
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0