Dutch Verb
opvoeden
to raise, to bring up (a child)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
opvoeden
Past Participle
opvoedend
Pres. Participle
opvoedend
Imperative
voed op / voedt op
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikvoed op
jijvoedt op
hij/zij/hetvoedt op
wijvoeden op
jullievoeden op
zijvoeden op
Verleden tijd
Simple Past
ikvoedde op
jijvoedde op
hij/zij/hetvoedde op
wijvoedden op
jullievoedden op
zijvoedden op
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb opvoedend
jijhebt opvoedend
hij/zij/hetheeft opvoedend
wijhebben opvoedend
julliehebben opvoedend
zijhebben opvoedend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad opvoedend
jijhad opvoedend
hij/zij/hethad opvoedend
wijhadden opvoedend
julliehadden opvoedend
zijhadden opvoedend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal opvoeden
jijzal opvoeden
hij/zij/hetzal opvoeden
wijzullen opvoeden
julliezullen opvoeden
zijzullen opvoeden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal opvoedend hebben
jijzal opvoedend hebben
hij/zij/hetzal opvoedend hebben
wijzullen opvoedend hebben
julliezullen opvoedend hebben
zijzullen opvoedend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou opvoeden
jijzou opvoeden
hij/zij/hetzou opvoeden
wijzouden opvoeden
julliezouden opvoeden
zijzouden opvoeden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou opvoedend hebben
jijzou opvoedend hebben
hij/zij/hetzou opvoedend hebben
wijzouden opvoedend hebben
julliezouden opvoedend hebben
zijzouden opvoedend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het opvoeden
jijbent aan het opvoeden
hij/zij/hetis aan het opvoeden
wijzijn aan het opvoeden
julliezijn aan het opvoeden
zijzijn aan het opvoeden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het opvoeden
jijwas aan het opvoeden
hij/zij/hetwas aan het opvoeden
wijwaren aan het opvoeden
julliewaren aan het opvoeden
zijwaren aan het opvoeden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikopvoed
jijopvoed
hij/zij/hetopvoed
wijopvoed
jullieopvoed
zijopvoed
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0