FlexiVerb

Dutch Verb

opwaarderen

to revalue, increase in value · to top up (to extend the credit of something)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

opwaarderen

Past Participle

opwaarderend

Pres. Participle

opwaarderend

Imperative

waardeer op / waardeert op

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikwaardeer op
jijwaardeert op
hij/zij/hetwaardeert op
wijwaarderen op
julliewaarderen op
zijwaarderen op

Verleden tijd

Simple Past

ikwaardeerde op
jijwaardeerde op
hij/zij/hetwaardeerde op
wijwaardeerden op
julliewaardeerden op
zijwaardeerden op

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb opwaarderend
jijhebt opwaarderend
hij/zij/hetheeft opwaarderend
wijhebben opwaarderend
julliehebben opwaarderend
zijhebben opwaarderend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad opwaarderend
jijhad opwaarderend
hij/zij/hethad opwaarderend
wijhadden opwaarderend
julliehadden opwaarderend
zijhadden opwaarderend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal opwaarderen
jijzal opwaarderen
hij/zij/hetzal opwaarderen
wijzullen opwaarderen
julliezullen opwaarderen
zijzullen opwaarderen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal opwaarderend hebben
jijzal opwaarderend hebben
hij/zij/hetzal opwaarderend hebben
wijzullen opwaarderend hebben
julliezullen opwaarderend hebben
zijzullen opwaarderend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou opwaarderen
jijzou opwaarderen
hij/zij/hetzou opwaarderen
wijzouden opwaarderen
julliezouden opwaarderen
zijzouden opwaarderen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou opwaarderend hebben
jijzou opwaarderend hebben
hij/zij/hetzou opwaarderend hebben
wijzouden opwaarderend hebben
julliezouden opwaarderend hebben
zijzouden opwaarderend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het opwaarderen
jijbent aan het opwaarderen
hij/zij/hetis aan het opwaarderen
wijzijn aan het opwaarderen
julliezijn aan het opwaarderen
zijzijn aan het opwaarderen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het opwaarderen
jijwas aan het opwaarderen
hij/zij/hetwas aan het opwaarderen
wijwaren aan het opwaarderen
julliewaren aan het opwaarderen
zijwaren aan het opwaarderen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikopwaarder
jijopwaarder
hij/zij/hetopwaarder
wijopwaarder
jullieopwaarder
zijopwaarder

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0