Dutch Verb
ordenen
to bring into order, to tidy
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ordenen
Past Participle
ordenend
Pres. Participle
ordenend
Imperative
orden / ordent
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikorden
jijordent
hij/zij/hetordent
wijordenen
jullieordenen
zijordenen
Verleden tijd
Simple Past
ikordende
jijordende
hij/zij/hetordende
wijordenden
jullieordenden
zijordenden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ordenend
jijhebt ordenend
hij/zij/hetheeft ordenend
wijhebben ordenend
julliehebben ordenend
zijhebben ordenend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ordenend
jijhad ordenend
hij/zij/hethad ordenend
wijhadden ordenend
julliehadden ordenend
zijhadden ordenend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ordenen
jijzal ordenen
hij/zij/hetzal ordenen
wijzullen ordenen
julliezullen ordenen
zijzullen ordenen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ordenend hebben
jijzal ordenend hebben
hij/zij/hetzal ordenend hebben
wijzullen ordenend hebben
julliezullen ordenend hebben
zijzullen ordenend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ordenen
jijzou ordenen
hij/zij/hetzou ordenen
wijzouden ordenen
julliezouden ordenen
zijzouden ordenen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ordenend hebben
jijzou ordenend hebben
hij/zij/hetzou ordenend hebben
wijzouden ordenend hebben
julliezouden ordenend hebben
zijzouden ordenend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ordenen
jijbent aan het ordenen
hij/zij/hetis aan het ordenen
wijzijn aan het ordenen
julliezijn aan het ordenen
zijzijn aan het ordenen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ordenen
jijwas aan het ordenen
hij/zij/hetwas aan het ordenen
wijwaren aan het ordenen
julliewaren aan het ordenen
zijwaren aan het ordenen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikorden
jijorden
hij/zij/hetorden
wijorden
jullieorden
zijorden
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0