FlexiVerb

Dutch Verb

overeten

to overeat

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

overeten

Past Participle

overetend

Pres. Participle

overetend

Imperative

overeet / overeet

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikovereet
jijovereet
hij/zij/hetovereet
wijovereten
jullieovereten
zijovereten

Verleden tijd

Simple Past

ikoverat
jijoverat
hij/zij/hetoverat
wijoveraten
jullieoveraten
zijoveraten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overetend
jijhebt overetend
hij/zij/hetheeft overetend
wijhebben overetend
julliehebben overetend
zijhebben overetend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overetend
jijhad overetend
hij/zij/hethad overetend
wijhadden overetend
julliehadden overetend
zijhadden overetend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal overeten
jijzal overeten
hij/zij/hetzal overeten
wijzullen overeten
julliezullen overeten
zijzullen overeten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overetend hebben
jijzal overetend hebben
hij/zij/hetzal overetend hebben
wijzullen overetend hebben
julliezullen overetend hebben
zijzullen overetend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou overeten
jijzou overeten
hij/zij/hetzou overeten
wijzouden overeten
julliezouden overeten
zijzouden overeten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overetend hebben
jijzou overetend hebben
hij/zij/hetzou overetend hebben
wijzouden overetend hebben
julliezouden overetend hebben
zijzouden overetend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het overeten
jijbent aan het overeten
hij/zij/hetis aan het overeten
wijzijn aan het overeten
julliezijn aan het overeten
zijzijn aan het overeten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het overeten
jijwas aan het overeten
hij/zij/hetwas aan het overeten
wijwaren aan het overeten
julliewaren aan het overeten
zijwaren aan het overeten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoveret
jijoveret
hij/zij/hetoveret
wijoveret
jullieoveret
zijoveret

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0