FlexiVerb

Dutch Verb

overhandigen

to hand (give, pass or transmit with the hand)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

overhandigen

Past Participle

overhandigend

Pres. Participle

overhandigend

Imperative

overhandig / overhandigt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikoverhandig
jijoverhandigt
hij/zij/hetoverhandigt
wijoverhandigen
jullieoverhandigen
zijoverhandigen

Verleden tijd

Simple Past

ikoverhandigde
jijoverhandigde
hij/zij/hetoverhandigde
wijoverhandigden
jullieoverhandigden
zijoverhandigden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overhandigend
jijhebt overhandigend
hij/zij/hetheeft overhandigend
wijhebben overhandigend
julliehebben overhandigend
zijhebben overhandigend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overhandigend
jijhad overhandigend
hij/zij/hethad overhandigend
wijhadden overhandigend
julliehadden overhandigend
zijhadden overhandigend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal overhandigen
jijzal overhandigen
hij/zij/hetzal overhandigen
wijzullen overhandigen
julliezullen overhandigen
zijzullen overhandigen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overhandigend hebben
jijzal overhandigend hebben
hij/zij/hetzal overhandigend hebben
wijzullen overhandigend hebben
julliezullen overhandigend hebben
zijzullen overhandigend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou overhandigen
jijzou overhandigen
hij/zij/hetzou overhandigen
wijzouden overhandigen
julliezouden overhandigen
zijzouden overhandigen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overhandigend hebben
jijzou overhandigend hebben
hij/zij/hetzou overhandigend hebben
wijzouden overhandigend hebben
julliezouden overhandigend hebben
zijzouden overhandigend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het overhandigen
jijbent aan het overhandigen
hij/zij/hetis aan het overhandigen
wijzijn aan het overhandigen
julliezijn aan het overhandigen
zijzijn aan het overhandigen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het overhandigen
jijwas aan het overhandigen
hij/zij/hetwas aan het overhandigen
wijwaren aan het overhandigen
julliewaren aan het overhandigen
zijwaren aan het overhandigen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoverhandig
jijoverhandig
hij/zij/hetoverhandig
wijoverhandig
jullieoverhandig
zijoverhandig

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0