Dutch Verb
overlopen
to overflow · to defect · to run through
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
overlopen
Past Participle
overlopend
Pres. Participle
overlopend
Imperative
loop over / loopt over
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikloop over
jijloopt over
hij/zij/hetloopt over
wijlopen over
jullielopen over
zijlopen over
Verleden tijd
Simple Past
ikliep over
jijliep over
hij/zij/hetliep over
wijliepen over
jullieliepen over
zijliepen over
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb overlopend
jijhebt overlopend
hij/zij/hetheeft overlopend
wijhebben overlopend
julliehebben overlopend
zijhebben overlopend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad overlopend
jijhad overlopend
hij/zij/hethad overlopend
wijhadden overlopend
julliehadden overlopend
zijhadden overlopend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal overlopen
jijzal overlopen
hij/zij/hetzal overlopen
wijzullen overlopen
julliezullen overlopen
zijzullen overlopen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal overlopend hebben
jijzal overlopend hebben
hij/zij/hetzal overlopend hebben
wijzullen overlopend hebben
julliezullen overlopend hebben
zijzullen overlopend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou overlopen
jijzou overlopen
hij/zij/hetzou overlopen
wijzouden overlopen
julliezouden overlopen
zijzouden overlopen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou overlopend hebben
jijzou overlopend hebben
hij/zij/hetzou overlopend hebben
wijzouden overlopend hebben
julliezouden overlopend hebben
zijzouden overlopend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het overlopen
jijbent aan het overlopen
hij/zij/hetis aan het overlopen
wijzijn aan het overlopen
julliezijn aan het overlopen
zijzijn aan het overlopen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het overlopen
jijwas aan het overlopen
hij/zij/hetwas aan het overlopen
wijwaren aan het overlopen
julliewaren aan het overlopen
zijwaren aan het overlopen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoverlop
jijoverlop
hij/zij/hetoverlop
wijoverlop
jullieoverlop
zijoverlop
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0