Dutch Verb
overmaken
to make over · to transfer (e.g. an amount from one bank to another)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
overmaken
Past Participle
overmakend
Pres. Participle
overmakend
Imperative
maak over / maakt over
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikmaak over
jijmaakt over
hij/zij/hetmaakt over
wijmaken over
julliemaken over
zijmaken over
Verleden tijd
Simple Past
ikmaakte over
jijmaakte over
hij/zij/hetmaakte over
wijmaakten over
julliemaakten over
zijmaakten over
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb overmakend
jijhebt overmakend
hij/zij/hetheeft overmakend
wijhebben overmakend
julliehebben overmakend
zijhebben overmakend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad overmakend
jijhad overmakend
hij/zij/hethad overmakend
wijhadden overmakend
julliehadden overmakend
zijhadden overmakend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal overmaken
jijzal overmaken
hij/zij/hetzal overmaken
wijzullen overmaken
julliezullen overmaken
zijzullen overmaken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal overmakend hebben
jijzal overmakend hebben
hij/zij/hetzal overmakend hebben
wijzullen overmakend hebben
julliezullen overmakend hebben
zijzullen overmakend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou overmaken
jijzou overmaken
hij/zij/hetzou overmaken
wijzouden overmaken
julliezouden overmaken
zijzouden overmaken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou overmakend hebben
jijzou overmakend hebben
hij/zij/hetzou overmakend hebben
wijzouden overmakend hebben
julliezouden overmakend hebben
zijzouden overmakend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het overmaken
jijbent aan het overmaken
hij/zij/hetis aan het overmaken
wijzijn aan het overmaken
julliezijn aan het overmaken
zijzijn aan het overmaken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het overmaken
jijwas aan het overmaken
hij/zij/hetwas aan het overmaken
wijwaren aan het overmaken
julliewaren aan het overmaken
zijwaren aan het overmaken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikovermak
jijovermak
hij/zij/hetovermak
wijovermak
jullieovermak
zijovermak
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0