FlexiVerb

Dutch Verb

oversteken

to cross, to traverse · to protrude, stick out

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

oversteken

Past Participle

overstekend

Pres. Participle

overstekend

Imperative

steek over / steekt over

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksteek over
jijsteekt over
hij/zij/hetsteekt over
wijsteken over
julliesteken over
zijsteken over

Verleden tijd

Simple Past

ikstak over
jijstak over
hij/zij/hetstak over
wijstaken over
julliestaken over
zijstaken over

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overstekend
jijhebt overstekend
hij/zij/hetheeft overstekend
wijhebben overstekend
julliehebben overstekend
zijhebben overstekend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overstekend
jijhad overstekend
hij/zij/hethad overstekend
wijhadden overstekend
julliehadden overstekend
zijhadden overstekend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal oversteken
jijzal oversteken
hij/zij/hetzal oversteken
wijzullen oversteken
julliezullen oversteken
zijzullen oversteken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overstekend hebben
jijzal overstekend hebben
hij/zij/hetzal overstekend hebben
wijzullen overstekend hebben
julliezullen overstekend hebben
zijzullen overstekend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou oversteken
jijzou oversteken
hij/zij/hetzou oversteken
wijzouden oversteken
julliezouden oversteken
zijzouden oversteken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overstekend hebben
jijzou overstekend hebben
hij/zij/hetzou overstekend hebben
wijzouden overstekend hebben
julliezouden overstekend hebben
zijzouden overstekend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het oversteken
jijbent aan het oversteken
hij/zij/hetis aan het oversteken
wijzijn aan het oversteken
julliezijn aan het oversteken
zijzijn aan het oversteken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het oversteken
jijwas aan het oversteken
hij/zij/hetwas aan het oversteken
wijwaren aan het oversteken
julliewaren aan het oversteken
zijwaren aan het oversteken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoverstek
jijoverstek
hij/zij/hetoverstek
wijoverstek
jullieoverstek
zijoverstek

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0