FlexiVerb

Dutch Verb

overtreden

to break, to transgress, to violate

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

overtreden

Past Participle

overtredend

Pres. Participle

overtredend

Imperative

overtreed / overtreedt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikovertreed
jijovertreedt
hij/zij/hetovertreedt
wijovertreden
jullieovertreden
zijovertreden

Verleden tijd

Simple Past

ikovertrad
jijovertrad
hij/zij/hetovertrad
wijovertraden
jullieovertraden
zijovertraden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overtredend
jijhebt overtredend
hij/zij/hetheeft overtredend
wijhebben overtredend
julliehebben overtredend
zijhebben overtredend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overtredend
jijhad overtredend
hij/zij/hethad overtredend
wijhadden overtredend
julliehadden overtredend
zijhadden overtredend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal overtreden
jijzal overtreden
hij/zij/hetzal overtreden
wijzullen overtreden
julliezullen overtreden
zijzullen overtreden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overtredend hebben
jijzal overtredend hebben
hij/zij/hetzal overtredend hebben
wijzullen overtredend hebben
julliezullen overtredend hebben
zijzullen overtredend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou overtreden
jijzou overtreden
hij/zij/hetzou overtreden
wijzouden overtreden
julliezouden overtreden
zijzouden overtreden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overtredend hebben
jijzou overtredend hebben
hij/zij/hetzou overtredend hebben
wijzouden overtredend hebben
julliezouden overtredend hebben
zijzouden overtredend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het overtreden
jijbent aan het overtreden
hij/zij/hetis aan het overtreden
wijzijn aan het overtreden
julliezijn aan het overtreden
zijzijn aan het overtreden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het overtreden
jijwas aan het overtreden
hij/zij/hetwas aan het overtreden
wijwaren aan het overtreden
julliewaren aan het overtreden
zijwaren aan het overtreden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikovertred
jijovertred
hij/zij/hetovertred
wijovertred
jullieovertred
zijovertred

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0