FlexiVerb

Dutch Verb

overvallen

to raid · to rob, mug · to take by surprise, surprise

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

overvallen

Past Participle

overvallend

Pres. Participle

overvallend

Imperative

overval / overvalt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikoverval
jijovervalt
hij/zij/hetovervalt
wijovervallen
jullieovervallen
zijovervallen

Verleden tijd

Simple Past

ikoverviel
jijoverviel
hij/zij/hetoverviel
wijovervielen
jullieovervielen
zijovervielen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overvallend
jijhebt overvallend
hij/zij/hetheeft overvallend
wijhebben overvallend
julliehebben overvallend
zijhebben overvallend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overvallend
jijhad overvallend
hij/zij/hethad overvallend
wijhadden overvallend
julliehadden overvallend
zijhadden overvallend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal overvallen
jijzal overvallen
hij/zij/hetzal overvallen
wijzullen overvallen
julliezullen overvallen
zijzullen overvallen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overvallend hebben
jijzal overvallend hebben
hij/zij/hetzal overvallend hebben
wijzullen overvallend hebben
julliezullen overvallend hebben
zijzullen overvallend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou overvallen
jijzou overvallen
hij/zij/hetzou overvallen
wijzouden overvallen
julliezouden overvallen
zijzouden overvallen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overvallend hebben
jijzou overvallend hebben
hij/zij/hetzou overvallend hebben
wijzouden overvallend hebben
julliezouden overvallend hebben
zijzouden overvallend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het overvallen
jijbent aan het overvallen
hij/zij/hetis aan het overvallen
wijzijn aan het overvallen
julliezijn aan het overvallen
zijzijn aan het overvallen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het overvallen
jijwas aan het overvallen
hij/zij/hetwas aan het overvallen
wijwaren aan het overvallen
julliewaren aan het overvallen
zijwaren aan het overvallen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikovervall
jijovervall
hij/zij/hetovervall
wijovervall
jullieovervall
zijovervall

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0