Dutch Verb
overweldigen
to overwhelm, overpower
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
overweldigen
Past Participle
overweldigend
Pres. Participle
overweldigend
Imperative
overweldig / overweldigt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikoverweldig
jijoverweldigt
hij/zij/hetoverweldigt
wijoverweldigen
jullieoverweldigen
zijoverweldigen
Verleden tijd
Simple Past
ikoverweldigde
jijoverweldigde
hij/zij/hetoverweldigde
wijoverweldigden
jullieoverweldigden
zijoverweldigden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb overweldigend
jijhebt overweldigend
hij/zij/hetheeft overweldigend
wijhebben overweldigend
julliehebben overweldigend
zijhebben overweldigend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad overweldigend
jijhad overweldigend
hij/zij/hethad overweldigend
wijhadden overweldigend
julliehadden overweldigend
zijhadden overweldigend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal overweldigen
jijzal overweldigen
hij/zij/hetzal overweldigen
wijzullen overweldigen
julliezullen overweldigen
zijzullen overweldigen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal overweldigend hebben
jijzal overweldigend hebben
hij/zij/hetzal overweldigend hebben
wijzullen overweldigend hebben
julliezullen overweldigend hebben
zijzullen overweldigend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou overweldigen
jijzou overweldigen
hij/zij/hetzou overweldigen
wijzouden overweldigen
julliezouden overweldigen
zijzouden overweldigen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou overweldigend hebben
jijzou overweldigend hebben
hij/zij/hetzou overweldigend hebben
wijzouden overweldigend hebben
julliezouden overweldigend hebben
zijzouden overweldigend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het overweldigen
jijbent aan het overweldigen
hij/zij/hetis aan het overweldigen
wijzijn aan het overweldigen
julliezijn aan het overweldigen
zijzijn aan het overweldigen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het overweldigen
jijwas aan het overweldigen
hij/zij/hetwas aan het overweldigen
wijwaren aan het overweldigen
julliewaren aan het overweldigen
zijwaren aan het overweldigen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikoverweldig
jijoverweldig
hij/zij/hetoverweldig
wijoverweldig
jullieoverweldig
zijoverweldig
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0