FlexiVerb

Dutch Verb

overzetten

to ferry (to move someone/something from one place to another in general, or over water in particular) · to transfer · to translate

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

overzetten

Past Participle

overzettend

Pres. Participle

overzettend

Imperative

zet over / zet over

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikzet over
jijzet over
hij/zij/hetzet over
wijzetten over
julliezetten over
zijzetten over

Verleden tijd

Simple Past

ikzette over
jijzette over
hij/zij/hetzette over
wijzetten over
julliezetten over
zijzetten over

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb overzettend
jijhebt overzettend
hij/zij/hetheeft overzettend
wijhebben overzettend
julliehebben overzettend
zijhebben overzettend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad overzettend
jijhad overzettend
hij/zij/hethad overzettend
wijhadden overzettend
julliehadden overzettend
zijhadden overzettend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal overzetten
jijzal overzetten
hij/zij/hetzal overzetten
wijzullen overzetten
julliezullen overzetten
zijzullen overzetten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal overzettend hebben
jijzal overzettend hebben
hij/zij/hetzal overzettend hebben
wijzullen overzettend hebben
julliezullen overzettend hebben
zijzullen overzettend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou overzetten
jijzou overzetten
hij/zij/hetzou overzetten
wijzouden overzetten
julliezouden overzetten
zijzouden overzetten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou overzettend hebben
jijzou overzettend hebben
hij/zij/hetzou overzettend hebben
wijzouden overzettend hebben
julliezouden overzettend hebben
zijzouden overzettend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het overzetten
jijbent aan het overzetten
hij/zij/hetis aan het overzetten
wijzijn aan het overzetten
julliezijn aan het overzetten
zijzijn aan het overzetten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het overzetten
jijwas aan het overzetten
hij/zij/hetwas aan het overzetten
wijwaren aan het overzetten
julliewaren aan het overzetten
zijwaren aan het overzetten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikoverzett
jijoverzett
hij/zij/hetoverzett
wijoverzett
jullieoverzett
zijoverzett

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0