FlexiVerb

Dutch Verb

paren

to pair · to mate, to copulate

takes hebbenstrongregular

Infinitive

paren

Past Participle

parend

Pres. Participle

parend

Imperative

paar / paart

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpaar
jijpaart
hij/zij/hetpaart
wijparen
jullieparen
zijparen

Verleden tijd

Simple Past

ikpaarde
jijpaarde
hij/zij/hetpaarde
wijpaarden
julliepaarden
zijpaarden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb parend
jijhebt parend
hij/zij/hetheeft parend
wijhebben parend
julliehebben parend
zijhebben parend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad parend
jijhad parend
hij/zij/hethad parend
wijhadden parend
julliehadden parend
zijhadden parend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal paren
jijzal paren
hij/zij/hetzal paren
wijzullen paren
julliezullen paren
zijzullen paren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal parend hebben
jijzal parend hebben
hij/zij/hetzal parend hebben
wijzullen parend hebben
julliezullen parend hebben
zijzullen parend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou paren
jijzou paren
hij/zij/hetzou paren
wijzouden paren
julliezouden paren
zijzouden paren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou parend hebben
jijzou parend hebben
hij/zij/hetzou parend hebben
wijzouden parend hebben
julliezouden parend hebben
zijzouden parend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het paren
jijbent aan het paren
hij/zij/hetis aan het paren
wijzijn aan het paren
julliezijn aan het paren
zijzijn aan het paren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het paren
jijwas aan het paren
hij/zij/hetwas aan het paren
wijwaren aan het paren
julliewaren aan het paren
zijwaren aan het paren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikpar
jijpar
hij/zij/hetpar
wijpar
julliepar
zijpar

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0