FlexiVerb

Dutch Verb

passeren

to pass by · to happen · to pass, to hand over · to pass as a white person

takes hebbenstrongregular

Infinitive

passeren

Past Participle

passerend

Pres. Participle

passerend

Imperative

passeer / passeert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpasseer
jijpasseert
hij/zij/hetpasseert
wijpasseren
julliepasseren
zijpasseren

Verleden tijd

Simple Past

ikpasseerde
jijpasseerde
hij/zij/hetpasseerde
wijpasseerden
julliepasseerden
zijpasseerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb passerend
jijhebt passerend
hij/zij/hetheeft passerend
wijhebben passerend
julliehebben passerend
zijhebben passerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad passerend
jijhad passerend
hij/zij/hethad passerend
wijhadden passerend
julliehadden passerend
zijhadden passerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal passeren
jijzal passeren
hij/zij/hetzal passeren
wijzullen passeren
julliezullen passeren
zijzullen passeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal passerend hebben
jijzal passerend hebben
hij/zij/hetzal passerend hebben
wijzullen passerend hebben
julliezullen passerend hebben
zijzullen passerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou passeren
jijzou passeren
hij/zij/hetzou passeren
wijzouden passeren
julliezouden passeren
zijzouden passeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou passerend hebben
jijzou passerend hebben
hij/zij/hetzou passerend hebben
wijzouden passerend hebben
julliezouden passerend hebben
zijzouden passerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het passeren
jijbent aan het passeren
hij/zij/hetis aan het passeren
wijzijn aan het passeren
julliezijn aan het passeren
zijzijn aan het passeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het passeren
jijwas aan het passeren
hij/zij/hetwas aan het passeren
wijwaren aan het passeren
julliewaren aan het passeren
zijwaren aan het passeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikpasser
jijpasser
hij/zij/hetpasser
wijpasser
julliepasser
zijpasser

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0