Dutch Verb
patrouilleren
to patrol
takes hebbenstrongregular
Infinitive
patrouilleren
Past Participle
patrouillerend
Pres. Participle
patrouillerend
Imperative
patrouilleer / patrouilleert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikpatrouilleer
jijpatrouilleert
hij/zij/hetpatrouilleert
wijpatrouilleren
julliepatrouilleren
zijpatrouilleren
Verleden tijd
Simple Past
ikpatrouilleerde
jijpatrouilleerde
hij/zij/hetpatrouilleerde
wijpatrouilleerden
julliepatrouilleerden
zijpatrouilleerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb patrouillerend
jijhebt patrouillerend
hij/zij/hetheeft patrouillerend
wijhebben patrouillerend
julliehebben patrouillerend
zijhebben patrouillerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad patrouillerend
jijhad patrouillerend
hij/zij/hethad patrouillerend
wijhadden patrouillerend
julliehadden patrouillerend
zijhadden patrouillerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal patrouilleren
jijzal patrouilleren
hij/zij/hetzal patrouilleren
wijzullen patrouilleren
julliezullen patrouilleren
zijzullen patrouilleren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal patrouillerend hebben
jijzal patrouillerend hebben
hij/zij/hetzal patrouillerend hebben
wijzullen patrouillerend hebben
julliezullen patrouillerend hebben
zijzullen patrouillerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou patrouilleren
jijzou patrouilleren
hij/zij/hetzou patrouilleren
wijzouden patrouilleren
julliezouden patrouilleren
zijzouden patrouilleren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou patrouillerend hebben
jijzou patrouillerend hebben
hij/zij/hetzou patrouillerend hebben
wijzouden patrouillerend hebben
julliezouden patrouillerend hebben
zijzouden patrouillerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het patrouilleren
jijbent aan het patrouilleren
hij/zij/hetis aan het patrouilleren
wijzijn aan het patrouilleren
julliezijn aan het patrouilleren
zijzijn aan het patrouilleren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het patrouilleren
jijwas aan het patrouilleren
hij/zij/hetwas aan het patrouilleren
wijwaren aan het patrouilleren
julliewaren aan het patrouilleren
zijwaren aan het patrouilleren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikpatrouiller
jijpatrouiller
hij/zij/hetpatrouiller
wijpatrouiller
julliepatrouiller
zijpatrouiller
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0