Dutch Verb
pendelen
to commute · to oscillate
takes hebbenstrongregular
Infinitive
pendelen
Past Participle
pendelend
Pres. Participle
pendelend
Imperative
pendel / pendelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikpendel
jijpendelt
hij/zij/hetpendelt
wijpendelen
julliependelen
zijpendelen
Verleden tijd
Simple Past
ikpendelde
jijpendelde
hij/zij/hetpendelde
wijpendelden
julliependelden
zijpendelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb pendelend
jijhebt pendelend
hij/zij/hetheeft pendelend
wijhebben pendelend
julliehebben pendelend
zijhebben pendelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad pendelend
jijhad pendelend
hij/zij/hethad pendelend
wijhadden pendelend
julliehadden pendelend
zijhadden pendelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal pendelen
jijzal pendelen
hij/zij/hetzal pendelen
wijzullen pendelen
julliezullen pendelen
zijzullen pendelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal pendelend hebben
jijzal pendelend hebben
hij/zij/hetzal pendelend hebben
wijzullen pendelend hebben
julliezullen pendelend hebben
zijzullen pendelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou pendelen
jijzou pendelen
hij/zij/hetzou pendelen
wijzouden pendelen
julliezouden pendelen
zijzouden pendelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou pendelend hebben
jijzou pendelend hebben
hij/zij/hetzou pendelend hebben
wijzouden pendelend hebben
julliezouden pendelend hebben
zijzouden pendelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het pendelen
jijbent aan het pendelen
hij/zij/hetis aan het pendelen
wijzijn aan het pendelen
julliezijn aan het pendelen
zijzijn aan het pendelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het pendelen
jijwas aan het pendelen
hij/zij/hetwas aan het pendelen
wijwaren aan het pendelen
julliewaren aan het pendelen
zijwaren aan het pendelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikpendel
jijpendel
hij/zij/hetpendel
wijpendel
julliependel
zijpendel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0