Dutch Verb
plakken
to stick · to glue, to paste · to paste (insert an item previously saved to memory)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
plakken
Past Participle
plakkend
Pres. Participle
plakkend
Imperative
plak / plakt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikplak
jijplakt
hij/zij/hetplakt
wijplakken
jullieplakken
zijplakken
Verleden tijd
Simple Past
ikplakte
jijplakte
hij/zij/hetplakte
wijplakten
jullieplakten
zijplakten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb plakkend
jijhebt plakkend
hij/zij/hetheeft plakkend
wijhebben plakkend
julliehebben plakkend
zijhebben plakkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad plakkend
jijhad plakkend
hij/zij/hethad plakkend
wijhadden plakkend
julliehadden plakkend
zijhadden plakkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal plakken
jijzal plakken
hij/zij/hetzal plakken
wijzullen plakken
julliezullen plakken
zijzullen plakken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal plakkend hebben
jijzal plakkend hebben
hij/zij/hetzal plakkend hebben
wijzullen plakkend hebben
julliezullen plakkend hebben
zijzullen plakkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou plakken
jijzou plakken
hij/zij/hetzou plakken
wijzouden plakken
julliezouden plakken
zijzouden plakken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou plakkend hebben
jijzou plakkend hebben
hij/zij/hetzou plakkend hebben
wijzouden plakkend hebben
julliezouden plakkend hebben
zijzouden plakkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het plakken
jijbent aan het plakken
hij/zij/hetis aan het plakken
wijzijn aan het plakken
julliezijn aan het plakken
zijzijn aan het plakken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het plakken
jijwas aan het plakken
hij/zij/hetwas aan het plakken
wijwaren aan het plakken
julliewaren aan het plakken
zijwaren aan het plakken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikplakk
jijplakk
hij/zij/hetplakk
wijplakk
jullieplakk
zijplakk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0