FlexiVerb

Dutch Verb

pogen

to attempt

takes hebbenstrongregular

Infinitive

pogen

Past Participle

pogend

Pres. Participle

pogend

Imperative

poog / poogt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpoog
jijpoogt
hij/zij/hetpoogt
wijpogen
julliepogen
zijpogen

Verleden tijd

Simple Past

ikpoogde
jijpoogde
hij/zij/hetpoogde
wijpoogden
julliepoogden
zijpoogden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb pogend
jijhebt pogend
hij/zij/hetheeft pogend
wijhebben pogend
julliehebben pogend
zijhebben pogend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad pogend
jijhad pogend
hij/zij/hethad pogend
wijhadden pogend
julliehadden pogend
zijhadden pogend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal pogen
jijzal pogen
hij/zij/hetzal pogen
wijzullen pogen
julliezullen pogen
zijzullen pogen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal pogend hebben
jijzal pogend hebben
hij/zij/hetzal pogend hebben
wijzullen pogend hebben
julliezullen pogend hebben
zijzullen pogend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou pogen
jijzou pogen
hij/zij/hetzou pogen
wijzouden pogen
julliezouden pogen
zijzouden pogen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou pogend hebben
jijzou pogend hebben
hij/zij/hetzou pogend hebben
wijzouden pogend hebben
julliezouden pogend hebben
zijzouden pogend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het pogen
jijbent aan het pogen
hij/zij/hetis aan het pogen
wijzijn aan het pogen
julliezijn aan het pogen
zijzijn aan het pogen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het pogen
jijwas aan het pogen
hij/zij/hetwas aan het pogen
wijwaren aan het pogen
julliewaren aan het pogen
zijwaren aan het pogen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikpog
jijpog
hij/zij/hetpog
wijpog
julliepog
zijpog

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0