Dutch Verb
pollen
to poll, to periodically check the status of a device or variable
takes hebbenstrongregular
Infinitive
pollen
Past Participle
pollend
Pres. Participle
pollend
Imperative
poll / pollt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikpoll
jijpollt
hij/zij/hetpollt
wijpollen
julliepollen
zijpollen
Verleden tijd
Simple Past
ikpollde
jijpollde
hij/zij/hetpollde
wijpollden
julliepollden
zijpollden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb pollend
jijhebt pollend
hij/zij/hetheeft pollend
wijhebben pollend
julliehebben pollend
zijhebben pollend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad pollend
jijhad pollend
hij/zij/hethad pollend
wijhadden pollend
julliehadden pollend
zijhadden pollend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal pollen
jijzal pollen
hij/zij/hetzal pollen
wijzullen pollen
julliezullen pollen
zijzullen pollen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal pollend hebben
jijzal pollend hebben
hij/zij/hetzal pollend hebben
wijzullen pollend hebben
julliezullen pollend hebben
zijzullen pollend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou pollen
jijzou pollen
hij/zij/hetzou pollen
wijzouden pollen
julliezouden pollen
zijzouden pollen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou pollend hebben
jijzou pollend hebben
hij/zij/hetzou pollend hebben
wijzouden pollend hebben
julliezouden pollend hebben
zijzouden pollend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het pollen
jijbent aan het pollen
hij/zij/hetis aan het pollen
wijzijn aan het pollen
julliezijn aan het pollen
zijzijn aan het pollen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het pollen
jijwas aan het pollen
hij/zij/hetwas aan het pollen
wijwaren aan het pollen
julliewaren aan het pollen
zijwaren aan het pollen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikpoll
jijpoll
hij/zij/hetpoll
wijpoll
julliepoll
zijpoll
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0